Techniek Haken

Haken is een veelzijdige techniek waarbij je met garen en een haaknaald decoraties, accessoires, kleding en figuren maakt. Ontdek de belangrijkste materialen, basissteken en tips om je eerste haakproject te beginnen.

Ontdek de techniek

Alles over Haken

Haken is een veelzijdige handwerktechniek waarbij je met garen en een haaknaald de mooiste decoraties, accessoires, kledingstukken en figuren maakt. Met enkele basissteken kun je al snel eenvoudige projecten maken. Naarmate je meer ervaring krijgt, kun je kleuren, steken en patronen combineren tot steeds uitgebreidere ontwerpen.

Bekijk materialen voor Haken

Wat is haken?

Bij haken maak je met een haaknaald lussen in het garen. Die lussen worden volgens een bepaald patroon door elkaar gehaald, waardoor een samenhangend haakwerk ontstaat.

Je kunt in rechte rijen werken, bijvoorbeeld voor een sjaal of deken, maar ook in het rond. Rondhaken wordt vaak gebruikt voor mandjes, mutsen, onderzetters en amigurumi.

Haken is geschikt voor beginners omdat je met slechts één actieve lus werkt. Wanneer je een fout maakt, kun je het haakwerk meestal eenvoudig tot aan de fout uithalen en opnieuw beginnen.

Wat is het verschil tussen haken en breien?

Bij haken gebruik je één haaknaald. Er staat telkens maar één lus actief op de naald.

Bij breien gebruik je meestal twee breinaalden en staan er meerdere steken tegelijk op de naald. Hierdoor zien gehaakte en gebreide werkstukken er verschillend uit.

Haakwerk is doorgaans wat steviger en houdt goed zijn vorm. Breiwerk is meestal soepeler en elastischer. Het uiteindelijke resultaat hangt ook af van het gebruikte garen, de naalddikte en de gekozen steek.

Wat kun je haken?

Met haken kun je zeer uiteenlopende projecten maken:

  • Sjaals en omslagdoeken
  • Mutsen en hoofdbanden
  • Dekens
  • Kussens
  • Onderzetters
  • Pannenlappen
  • Mandjes
  • Tassen
  • Knuffels en amigurumi
  • Sleutelhangers
  • Babydekentjes en babykleding
  • Kledingstukken
  • Bloemen en andere decoraties
  • Granny squares
  • Woonaccessoires

Het juiste garen kiezen

Garen bestaat in verschillende materialen, diktes, structuren en kleuren. De keuze van het garen heeft veel invloed op het uiterlijk en gebruik van het afgewerkte project.

Katoen

Katoen geeft een duidelijk stekenbeeld en behoudt goed zijn vorm. Het is geschikt voor onderzetters, mandjes, knuffels, zomerkleding en woondecoraties.

Acryl

Acrylgaren is verkrijgbaar in veel kleuren en is doorgaans gemakkelijk te onderhouden. Het wordt vaak gebruikt voor dekens, sjaals, mutsen en oefenprojecten.

Wol

Wol is warm, veerkrachtig en geschikt voor winterkleding en accessoires. Controleer altijd de wasvoorschriften en houd rekening met mensen die gevoelig zijn voor wol.

Gemengd garen

Gemengde garens combineren eigenschappen van verschillende vezels. Een combinatie van katoen en acryl kan bijvoorbeeld zachter en lichter zijn dan zuiver katoen.

Kies voor een eerste project bij voorkeur een glad garen in een lichte kleur. Bij donker, pluizig of sterk gemêleerd garen zijn de afzonderlijke steken moeilijker te herkennen.

De juiste haaknaald kiezen

Op de wikkel van het garen staat meestal een aanbevolen naalddikte. Dit is een goed vertrekpunt, maar je persoonlijke hand van haken speelt ook een rol.

  • Met een kleinere haaknaald wordt het haakwerk compacter en steviger.
  • Met een grotere haaknaald wordt het haakwerk losser en soepeler.
  • Voor amigurumi wordt vaak een iets kleinere haaknaald gebruikt, zodat de vulling niet tussen de steken zichtbaar wordt.
  • Voor een soepel kledingstuk kan een iets grotere haaknaald prettiger zijn.

Haaknaalden kunnen gemaakt zijn van aluminium, staal, hout, bamboe of kunststof. Ergonomische haaknaalden hebben een dikker handvat en kunnen comfortabeler zijn wanneer je langere tijd haakt.

Belangrijke basisbegrippen

Opzetlus

De opzetlus is de eerste verstelbare lus op de haaknaald. Vanuit deze lus begin je de lossenketting of het patroon.

Losse

Een losse vormt een eenvoudige ketting van lussen. Lossen worden gebruikt om een werkstuk op te zetten, een nieuwe rij te beginnen of ruimte in een patroon te maken.

Halve vaste

De halve vaste is een lage verbindingssteek. Ze wordt gebruikt om een toer te sluiten, delen met elkaar te verbinden of zonder extra hoogte naar een andere positie te gaan.

Vaste

De vaste is een compacte basissteek. Ze wordt vaak gebruikt voor amigurumi, mandjes, pannenlappen en stevige haakwerken.

Half stokje

Een half stokje is hoger dan een vaste, maar lager dan een gewoon stokje. Het geeft een soepel en toch vrij dicht haakwerk.

Stokje

Een stokje is een hogere steek waarmee je sneller hoogte opbouwt. Stokjes worden veel gebruikt voor dekens, granny squares, sjaals en kledingstukken.

Dubbel stokje

Een dubbel stokje is nog hoger en geeft een losser, luchtiger resultaat.

Magische ring

De magische ring is een verstelbare beginlus voor rond haakwerk. Na het haken van de eerste steken kun je de ring aantrekken, zodat er nauwelijks een opening in het midden overblijft.

Meerderen

Bij meerderen haak je meerdere steken in dezelfde steek. Hierdoor wordt het haakwerk breder of neemt de omtrek toe.

Minderen

Bij minderen worden twee of meer steken samengehaakt. Hierdoor wordt het werk smaller of neemt de omtrek af.

Recht haken of rondhaken

Haken in rechte rijen

Bij recht haakwerk keer je het werk meestal aan het einde van iedere rij om. Aan het begin van een nieuwe rij haak je een of meer keerlossen, afhankelijk van de gebruikte steek en het patroon.

Deze werkwijze wordt bijvoorbeeld gebruikt voor sjaals, dekens en rechthoekige lapjes.

Haken in het rond

Bij rondhaken werk je rondom een beginring of lossenketting. De toer kan met een halve vaste worden gesloten, maar sommige patronen worden spiraalsgewijs gehaakt.

Gebruik bij spiraalsgewijs haken een steekmarkeerder om het begin van iedere toer aan te duiden.

Eenvoudig stappenplan voor je eerste haakwerk

1. Kies een eenvoudig patroon

Begin bijvoorbeeld met een vierkante onderzetter, een eenvoudige sjaal of een recht proeflapje met vasten.

Gebruik bij voorkeur één soort steek en één kleur garen.

2. Controleer garen en haaknaald

Bekijk de aanbevolen haaknaalddikte op de wikkel van het garen. Kies een glad, middelmatig dik garen waarmee je de steken gemakkelijk kunt zien.

3. Maak een opzetlus

Maak een verstelbare lus in het garen en plaats deze op de haaknaald. Trek de lus aan totdat ze netjes om de naald ligt, maar nog gemakkelijk kan bewegen.

4. Haak een lossenketting

Sla het garen om de haaknaald en trek het door de lus. Herhaal dit totdat je het gewenste aantal lossen hebt.

Zorg ervoor dat de lossen ongeveer even groot zijn en trek ze niet te strak aan.

5. Haak de eerste rij

Steek de haaknaald in de juiste losse volgens het patroon. Haak de gekozen basissteek en ga verder tot het einde van de lossenketting.

Controleer of de ketting niet gedraaid ligt.

6. Keer het werk

Haak het voorgeschreven aantal keerlossen en draai het werk om. Begin daarna aan de volgende rij.

Let erop dat je de eerste en laatste steek van iedere rij niet overslaat.

7. Tel regelmatig de steken

Tel aan het einde van iedere rij of toer het aantal steken. Zo merk je snel wanneer je per ongeluk een steek hebt overgeslagen of toegevoegd.

8. Hecht het garen af

Knip het garen af en laat een uiteinde van ongeveer tien tot vijftien centimeter over. Trek dit uiteinde volledig door de laatste lus.

Werk de losse draad met een wolnaald door verschillende steken aan de achterkant van het haakwerk.

Een haakpatroon lezen

Haakpatronen gebruiken vaak afkortingen. De precieze schrijfwijze kan per patroon verschillen, maar veelgebruikte Nederlandse afkortingen zijn:

  • l – losse
  • hv – halve vaste
  • v – vaste
  • hst – half stokje
  • st – stokje
  • dst – dubbel stokje
  • meerd – meerderen
  • mind – minderen

Tekst tussen sterretjes moet meestal worden herhaald. Een getal tussen haakjes aan het einde van een rij of toer geeft vaak het totale aantal steken aan.

Lees altijd eerst de gebruikte afkortingen en opmerkingen van het patroon. Niet iedere ontwerper gebruikt exact dezelfde notatie.

De stekenverhouding

Bij kledingstukken en projecten die een bepaalde afmeting moeten krijgen, is een proeflapje belangrijk.

Haak een proeflapje met het opgegeven garen, de aanbevolen haaknaald en de steek uit het patroon. Meet daarna hoeveel steken en rijen binnen tien centimeter vallen.

Heb je te veel steken binnen tien centimeter? Probeer dan een grotere haaknaald.

Heb je te weinig steken? Probeer dan een kleinere haaknaald.

Bij knuffels, onderzetters en decoraties is de exacte stekenverhouding meestal minder belangrijk, zolang het haakwerk gelijkmatig en stevig genoeg is.

Veilig en comfortabel werken

Bewaar haaknaalden, scharen, spelden en wolnaalden buiten het bereik van jonge kinderen. Laat kinderen onder begeleiding werken en kies materialen die bij hun leeftijd passen.

Veiligheidsoogjes zijn niet altijd geschikt voor speelgoed voor baby’s en zeer jonge kinderen. Gebruik voor zulke projecten liever stevig geborduurde ogen en controleer alle naden zorgvuldig.

Neem tijdens lange haaksessies regelmatig pauze. Wissel van houding en forceer je handen of polsen niet.

Geschikte beginnersprojecten

  • Een recht proeflapje
  • Een boekenlegger
  • Een onderzetter
  • Een eenvoudige sjaal
  • Een vaatdoekje
  • Een granny square
  • Een eenvoudige muts
  • Een hoofdband
  • Een klein mandje
  • Een eenvoudig amigurumifiguur

Moeilijkheidsgraad

Beginner

De basis van haken is eenvoudig te leren. Uitgebreide patronen, kledingstukken en ingewikkelde kleurwissels kunnen een gemiddeld of gevorderd niveau hebben.

Geschikt voor

Jongeren en volwassenen. Kinderen kunnen onder begeleiding beginnen met een dikke haaknaald, lichtgekleurd garen en een eenvoudig patroon.

Gerelateerde technieken

  • Amigurumi
  • Granny squares
  • Tunisch haken
  • Filethaken
  • Borduren op haakwerk
  • Breien
  • Pompons maken

Wat heb je nodig?

  • Een haaknaald
  • Geschikt garen
  • Een schaar
  • Een wol- of stopnaald
  • Steekmarkeerders
  • Een haakpatroon of duidelijke werkbeschrijving
  • Eventueel een meetlint
  • Eventueel spelden
  • Eventueel vulling en veiligheidsoogjes voor amigurumi

Tips voor beginners

  • Begin met glad garen in een lichte kleur.
  • Kies een niet te dunne draad en een middelgrote haaknaald.
  • Maak eerst een klein proeflapje.
  • Haak de beginlossen niet te strak.
  • Gebruik steekmarkeerders om belangrijke plaatsen aan te duiden.
  • Tel na iedere rij of toer je steken.
  • Houd potlood en papier bij de hand om voltooide rijen aan te duiden.
  • Noteer met welke haaknaald je aan een project werkt.
  • Maak regelmatig je handen, polsen en schouders los.
  • Stop wanneer je pijn of aanhoudende spanning voelt.
  • Bewaar de wikkel van het garen totdat het project klaar is.
  • Koop bij een groter project voldoende garen van hetzelfde verfbad.

Veelgemaakte fouten

  • Te strak haken
  • Wanneer je het garen of de lussen te strak aantrekt, wordt het moeilijk om de haaknaald in de steken te steken. Het haakwerk kan bovendien stijf worden of gaan trekken.
  • Probeer de draad ontspannen vast te houden of gebruik tijdelijk een iets grotere haaknaald.
  • Steken verliezen of toevoegen
  • Wanneer de zijkanten smaller of breder worden, is waarschijnlijk de eerste of laatste steek van een rij overgeslagen of dubbel gehaakt.
  • Tel na iedere rij het aantal steken en markeer eventueel de eerste en laatste steek.
  • De lossenketting draait
  • Controleer vóór de eerste rij of toer of alle lossen in dezelfde richting liggen. Een gedraaide ketting is later moeilijk te herstellen.
  • De verkeerde naalddikte gebruiken
  • Een te kleine haaknaald maakt het werk stijf. Een te grote haaknaald kan grote openingen veroorzaken.
  • Maak vooraf een proeflapje en beoordeel niet alleen de afmetingen, maar ook hoe het haakwerk aanvoelt.
  • Ongelijke draadspanning
  • Wanneer sommige steken los en andere strak zijn, wordt het oppervlak onregelmatig.
  • Een gelijkmatige spanning ontstaat vooral door oefening. Probeer het garen telkens op dezelfde manier vast te houden.
  • Niet in de juiste lussen haken
  • Een steek bestaat bovenaan meestal uit twee lussen. Tenzij het patroon iets anders vermeldt, steek je de haaknaald onder beide lussen.
  • Alleen in de voorste of achterste lus haken geeft een ander uiterlijk en kan de stevigheid veranderen.
  • Geen steekmarkeerder gebruiken
  • Bij spiraalsgewijs rondhaken is het begin van een nieuwe toer moeilijk te herkennen.
  • Plaats daarom steeds een steekmarkeerder in de eerste steek van iedere toer.
  • Losse draden te kort afknippen
  • Te korte uiteinden zijn moeilijk weg te werken en kunnen later loskomen.
  • Laat voldoende draad over en werk die met een wolnaald door meerdere steken.

Projecten met Haken

Haken

Seizoen of moment: HerfstDoelgroep: KinderenTijdsduur: 10 minDroog- of wachttijd: 5 min

haken, haken en blijven haken Benodigdheden Stappenplan Tips en variaties