Leer stap voor stap de belangrijkste haaksteken
Wanneer je de belangrijkste basissteken kent, kun je al heel wat haakpatronen maken. Lossen, vasten en stokjes vormen de basis voor onder andere sjaals, dekens, onderzetters, kledingstukken en gehaakte figuren.
Op deze pagina leer je hoe je een haakwerk begint, waar je de haaknaald insteekt en hoe je de meest gebruikte haaksteken maakt. Je leert ook meerderen, minderen, keren en losse draden wegwerken.
De beschrijvingen zijn geschreven voor rechtshandig haken. Ben je linkshandig? Dan voer je de bewegingen gespiegeld uit.
Wat heb je nodig om te oefenen?
- Een haaknaald van ongeveer 4 of 5 mm
- Glad garen dat bij de haaknaald past
- Een lichte, effen kleur waarin je de steken goed ziet
- Een schaar
- Een wol- of stopnaald
- Enkele steekmarkeerders
Kies voor je eerste oefeningen geen erg dun, donker, pluizig of sterk gemêleerd garen. Bij een gladde draad in een lichte kleur zie je veel beter waar je de haaknaald moet insteken.
Overzicht van de basissteken
| Steek of handeling | Afkorting | Waarvoor wordt ze gebruikt? |
|---|---|---|
| Losse | l | Opzetketting, boogjes en tussenruimtes |
| Halve vaste | hv | Verbinden, een toer sluiten en verplaatsen |
| Vaste | v | Stevig en compact haakwerk |
| Half stokje | hst | Soepel haakwerk met gemiddelde hoogte |
| Stokje | st | Luchtiger haakwerk en snel hoogte opbouwen |
| Dubbel stokje | dst | Hoge, open en luchtige patronen |
| Meerderen | meerd | Het haakwerk breder maken |
| Minderen | mind | Het haakwerk smaller maken |
Afkortingen kunnen per patroon verschillen. Controleer daarom altijd de legenda of gebruikte afkortingen bij het patroon.
De onderdelen van een haaksteek herkennen
Aan de bovenkant van een gewone haaksteek zie je een vorm die op de letter V lijkt. Deze V bestaat uit twee lussen:
- de voorste lus, die het dichtst bij je ligt;
- de achterste lus, die het verst van je af ligt.
Wanneer een patroon niets anders vermeldt, steek je de haaknaald onder beide lussen van de steek.
Sommige patronen vragen om alleen in de voorste of achterste lus te haken. Hierdoor ontstaat een ribbel of een ander decoratief effect.
De draad en haaknaald vasthouden
Houd de haaknaald vast op een manier die voor jou comfortabel aanvoelt. Je kunt ze vasthouden zoals een potlood of zoals een mes. Beide methoden zijn correct.
Laat het garen door de vingers van je andere hand lopen. Met deze hand regel je de draadspanning en houd je het haakwerk vast.
Trek de draad niet te strak aan. De lus moet netjes rond de haaknaald liggen, maar de naald moet er nog gemakkelijk doorheen kunnen bewegen.
1. Een opzetlus maken
De opzetlus is de eerste lus die je op de haaknaald plaatst.
- Maak met het garen een lus.
- Leg het uiteinde van de draad over of onder de werkdraad, zodat de draden elkaar kruisen.
- Haal de werkdraad door de lus.
- Plaats de nieuwe lus op de haaknaald.
- Trek voorzichtig aan beide draden totdat de lus netjes om de haaknaald ligt.
De lus mag niet strak rond de haaknaald zitten. Ze moet gemakkelijk over het dikkere gedeelte van de naald kunnen schuiven.

2. Lossen haken
Een reeks lossen vormt een lossenketting. Deze ketting wordt vaak gebruikt als basis voor een haakwerk in rechte rijen.
- Maak een opzetlus.
- Houd de haaknaald met de opzetlus voor je.
- Sla de werkdraad van achteren naar voren over de haaknaald. Dit noemen we een omslag.
- Trek de omslag met de haak door de lus op de naald.
- Er blijft één nieuwe lus op de haaknaald staan.
- Herhaal deze beweging voor iedere volgende losse.

Lossen tellen
Iedere V-vorm in de ketting telt als één losse. De lus die op de haaknaald staat, tel je niet mee.
Veelgemaakte fout
Beginners haken de lossenketting vaak te strak. Daardoor wordt het moeilijk om de eerste rij te haken.
Probeer de lussen ontspannen te maken of gebruik voor de lossenketting tijdelijk een iets grotere haaknaald.
3. Een halve vaste haken
Een halve vaste is een lage verbindingssteek. Ze voegt vrijwel geen hoogte toe.
- Steek de haaknaald in de aangegeven steek.
- Sla de draad om de haaknaald.
- Trek de draad door de steek én onmiddellijk door de lus die al op de haaknaald staat.
- Er blijft opnieuw één lus op de haaknaald.
Waarvoor gebruik je een halve vaste?
- Om een toer te sluiten
- Om twee delen met elkaar te verbinden
- Om langs een rand naar een andere positie te gaan
- Voor decoratieve lijnen
- Om een haakwerk netjes af te werken
Trek een halve vaste niet te strak aan. Anders wordt het moeilijk om later opnieuw in deze steek te haken.
4. Een vaste haken
De vaste is een compacte en stevige basissteek. Ze wordt veel gebruikt voor amigurumi, mandjes, onderzetters en andere vormvaste projecten.
- Steek de haaknaald in de aangegeven steek.
- Sla de draad om de haaknaald.
- Trek de draad door de steek. Je hebt nu twee lussen op de haaknaald.
- Sla de draad opnieuw om de haaknaald.
- Trek de draad door beide lussen.
- Er blijft één lus op de haaknaald.
Herkenning
Een rij vasten is laag en compact. Boven iedere vaste zie je een kleine V-vorm.
Veelgemaakte fout
Let erop dat je de eerste of laatste vaste van een rij niet overslaat. Markeer deze steken eventueel met een steekmarkeerder.
5. Een half stokje haken
Een half stokje is hoger dan een vaste, maar lager dan een gewoon stokje. Het geeft een soepel en vrij dicht resultaat.
- Sla de draad om de haaknaald.
- Steek de haaknaald in de aangegeven steek.
- Sla de draad opnieuw om de haaknaald.
- Trek de draad door de steek. Je hebt nu drie lussen op de haaknaald.
- Sla de draad opnieuw om de haaknaald.
- Trek de draad in één keer door alle drie de lussen.
- Er blijft één lus op de haaknaald.
Halfstokjes zijn geschikt voor mutsen, sjaals, dekens, kledingstukken en verschillende woonaccessoires.
6. Een stokje haken
Een stokje is een hogere steek. Hierdoor groeit je haakwerk sneller en wordt het soepeler en luchtiger.
- Sla de draad om de haaknaald.
- Steek de haaknaald in de aangegeven steek.
- Sla de draad opnieuw om de haaknaald.
- Trek de draad door de steek. Je hebt nu drie lussen op de haaknaald.
- Sla de draad om de haaknaald.
- Trek de draad door de eerste twee lussen. Er blijven twee lussen over.
- Sla de draad opnieuw om de haaknaald.
- Trek de draad door de laatste twee lussen.
- Er blijft één lus op de haaknaald.
Stokjes worden vaak gebruikt voor granny squares, dekens, omslagdoeken en kledingstukken.
7. Een dubbel stokje haken
Een dubbel stokje is hoger dan een gewoon stokje en geeft een open, luchtig resultaat.
- Sla de draad twee keer om de haaknaald.
- Steek de haaknaald in de aangegeven steek.
- Sla de draad om de haaknaald.
- Trek de draad door de steek. Je hebt nu vier lussen op de haaknaald.
- Sla de draad om de haaknaald en trek deze door de eerste twee lussen.
- Sla opnieuw om en trek de draad door de volgende twee lussen.
- Sla nogmaals om en trek de draad door de laatste twee lussen.
- Er blijft één lus op de haaknaald.
Een dubbel stokje wordt gebruikt in kantachtige patronen, open sjaals, omslagdoeken en decoratieve steken.
8. Een magische ring maken

De magische ring is een verstelbare beginring voor rond haakwerk. Hij wordt vaak gebruikt voor amigurumi, mandjes, bloemen en ronde onderzetters.
- Leg het garen in een lus, waarbij het losse uiteinde onder de werkdraad ligt.
- Steek de haaknaald door de lus.
- Haal de werkdraad door de lus.
- Haak een losse om de ring vast te zetten.
- Haak het voorgeschreven aantal steken rond beide draden van de ring.
- Houd het haakwerk vast en trek voorzichtig aan het losse draaduiteinde.
- De opening in het midden sluit zich.
De losse waarmee je de ring vastzet, telt meestal niet als een afzonderlijke steek, tenzij het patroon iets anders aangeeft.
Trek het uiteinde stevig aan en werk het later zorgvuldig weg, zodat de ring niet opnieuw kan opengaan.
9. Steken meerderen

Door te meerderen maak je het haakwerk breder. Bij rond haakwerk zorgen meerderingen ervoor dat de omtrek groter wordt.
Voor een eenvoudige meerdering haak je twee steken in dezelfde steek:
- Haak de eerste steek in de aangegeven steek.
- Steek de haaknaald opnieuw in dezelfde steek.
- Haak daarin een tweede steek.
- Uit één steek zijn nu twee steken ontstaan.
Bij rond haakwerk moeten meerderingen meestal gelijkmatig over de toer worden verdeeld. Zo blijft bijvoorbeeld een cirkel mooi vlak.
10. Vasten minderen
Door te minderen maak je van twee steken één steek. Het haakwerk wordt daardoor smaller.
- Steek de haaknaald in de eerste steek.
- Sla de draad om en trek hem door de steek. Je hebt twee lussen op de haaknaald.
- Steek de haaknaald in de volgende steek.
- Sla de draad om en trek hem door de steek. Je hebt nu drie lussen op de haaknaald.
- Sla de draad opnieuw om.
- Trek de draad door alle drie de lussen.
- De twee oorspronkelijke steken zijn nu samengehaakt tot één vaste.
Bij halfstokjes, stokjes en andere steken verloopt een mindering anders. Volg daarvoor steeds de aanwijzingen van het gebruikte patroon.
11. Het haakwerk keren
Wanneer je in rechte rijen haakt, draai je het werk meestal aan het einde van iedere rij om.
Voor je aan een nieuwe rij begint, haak je een of meer keerlossen. Deze zorgen ervoor dat je op de juiste hoogte begint.
Een veelgebruikte richtlijn is:
- Vaste: één keerlosse
- Half stokje: twee keerlossen
- Stokje: drie keerlossen
- Dubbel stokje: vier keerlossen
Het patroon bepaalt of de keerlossen als eerste steek meetellen. Controleer dit altijd voordat je de volgende rij begint.
12. Een toer sluiten
Wanneer je in gesloten rondes haakt, sluit je de toer meestal met een halve vaste.
- Zoek de eerste steek van de toer.
- Steek de haaknaald in deze eerste steek.
- Sla de draad om.
- Trek de draad door de steek en onmiddellijk door de lus op de haaknaald.
- De toer is nu gesloten.
Plaats bij het begin van iedere toer een steekmarkeerder. Zo voorkom je dat je per ongeluk in de sluitsteek of keerlossen haakt.
13. Spiraalsgewijs haken
Bij spiraalsgewijs haken sluit je de toer niet met een halve vaste. Je haakt rechtstreeks verder in de eerste steek van de vorige toer.
Deze methode wordt vaak gebruikt voor amigurumi omdat er geen zichtbare overgang tussen de toeren ontstaat.
Plaats altijd een steekmarkeerder in de eerste steek van iedere toer en verplaats deze telkens wanneer een nieuwe toer begint.
14. Een kleur wisselen
Voor een nette kleurwissel begin je al in de laatste steek vóór de nieuwe kleur.
- Haak de laatste steek met de oude kleur, maar maak de laatste doorhaling nog niet.
- Leg de nieuwe kleur over de haaknaald.
- Maak de laatste doorhaling met de nieuwe kleur.
- Haak verder met de nieuwe draad.
- Laat bij het afknippen voldoende draad over om later weg te werken.
Trek de oude en nieuwe draad voorzichtig aan. Maak geen harde knoop midden in het haakwerk.
15. Het garen afhechten
Wanneer het haakwerk klaar is:
- Knip het garen af en laat ongeveer tien tot vijftien centimeter draad over.
- Trek het uiteinde volledig door de laatste lus.
- Trek de draad voorzichtig aan.
- Rijg het uiteinde door een wolnaald.
- Weef de draad door verschillende steken aan de achterkant van het haakwerk.
- Verander minstens eenmaal van richting.
- Knip het resterende uiteinde dicht bij het haakwerk af.
Werk losse draden niet alleen onder één of twee steken. Dan kunnen ze tijdens het gebruiken of wassen opnieuw loskomen.
Veelgemaakte fouten
Mijn haakwerk wordt steeds smaller
Waarschijnlijk sla je aan het begin of einde van een rij een steek over. Markeer de eerste en laatste steek en tel na iedere rij het aantal steken.
Mijn haakwerk wordt steeds breder
Mogelijk haak je twee keer in de eerste of laatste steek. Controleer ook of de keerlossen volgens het patroon wel of niet als steek meetellen.
Ik krijg de haaknaald moeilijk in de steken
Je haakt waarschijnlijk te strak. Probeer je handen te ontspannen en de lussen minder hard aan te trekken. Een iets grotere haaknaald kan tijdelijk helpen.
Mijn zijkanten zijn ongelijk
Tel de steken na iedere rij en controleer zorgvuldig waar de eerste en laatste steek zitten. Een steekmarkeerder maakt deze plaatsen gemakkelijker herkenbaar.
Mijn ronde haakwerk gaat golven
Er zijn mogelijk te veel steken gemeerderd. Controleer het patroon en tel het aantal steken van de toer.
Mijn ronde haakwerk trekt als een kommetje omhoog
Er zijn waarschijnlijk te weinig meerderingen gemaakt. Controleer of je geen meerdering hebt overgeslagen.
Mijn steken zijn ongelijk
Een regelmatige draadspanning ontstaat vooral door oefening. Probeer het garen steeds op dezelfde manier vast te houden en trek de lussen niet afzonderlijk aan.
Oefening: maak een eenvoudig proeflapje
Met dit proeflapje kun je de belangrijkste basissteken oefenen.
- Haak een lossenketting van twintig lossen.
- Haak een rij vasten.
- Haak een rij halfstokjes.
- Haak een rij stokjes.
- Haak een rij dubbele stokjes.
- Herhaal deze vier rijen.
- Hecht de draad af en werk de uiteinden weg.
De precieze plaats waar je de eerste steek van iedere rij maakt, hangt af van de gebruikte keerlossen. Spreek vooraf één methode af en gebruik die tijdens de volledige oefening consequent.
Tips voor een mooi en regelmatig resultaat
- Gebruik bij het oefenen lichtgekleurd en glad garen.
- Controleer regelmatig het aantal steken.
- Plaats een steekmarkeerder in de eerste en laatste steek.
- Trek de beginlossen niet te strak aan.
- Houd de draad steeds op ongeveer dezelfde manier vast.
- Noteer welke haaknaalddikte je gebruikt.
- Bewaar de wikkel van het garen.
- Maak bij kledingstukken altijd een proeflapje.
- Haal een fout rustig uit en probeer het opnieuw.
- Neem regelmatig pauze om handen, polsen en schouders te ontspannen.
